Droombaan
Taartjes op de lopende band, dag en nacht.
Categorie: Nachtdienst
Datum: tussen 12 en 13 mei 2025
Ik droom dat er taartjes worden uitgedeeld op kantoor omdat het team één of ander target heeft gehaald. Lekker. Maar drie kwartier later komt er opnieuw taart, om weer een andere prestatie te vieren. Na een uur volgt een derde ronde. En een half uur daarna de vierde. Zo gaat het de hele dag door. De taartjes stapelen zich op mijn bureau op. Zelfs als ik nauwelijks werk uitvoer. Ik kan geen taart meer zien.
Volgens mij heb ik die droom van mijn moeder. Zij had als zestienjarige ooit een vakantiebaantje in een banketfabriek. Op haar eerste dag zei de chef dat ze zo veel gebakjes van de lopende band mocht eten als ze wilde. Die avond kwam mijn moeder kotsmisselijk thuis, van al het snoepen. Daarna heeft ze de hele zomer geen taartje meer aangeraakt.
Dat verhaal heeft ze me intussen al zeker tien, twintig keer verteld. Ik geloof dat het is gebeurd in hetzelfde jaar dat haar vader zijn gezin verliet.
Zelf heeft mijn moeder na haar eigen scheiding een flatje gekocht in een woonblok van vier verdiepingen, in een straatje uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. De appartementen zijn te klein voor hedendaagse stellen en gezinnen, en ze zijn inmiddels te duur voor jonge vrijgezellen. Dus in het blok is een kleine gemeenschap ontstaan van gescheiden vrouwen en weduwes, die elkaar nog kennen van schoolpleinen en rijtjeshuizen elders in de stad.
‘Twee portieken verderop woont een nicht van me, eentje die ik nog nooit had ontmoet,’ vertelt mijn moeder. ‘Ik wist zelfs niet dat ze bestond.’ Ze schenkt thee voor me in.
Ik pak alvast twee chocoladekoekjes van het bordje op tafel. ‘Hoe ben je er dan achter gekomen dat ze je nicht is?’
‘Nou ja, nicht… Haar oma is een zus van mijn vader. Mijn vader was dus haar oudoom. Ze viel me op bij de kascommissie van de VvE. Het was alsof ik ineens een jongere versie van mezelf tegenkwam. En zij schrok ook van mij.’
‘Een zus van opa die ik nooit heb-’
Mijn moeder knikt snel. ‘Die was bakker, dat heb ik je toch wel eens verteld? Zijn zus heeft hem in huis genomen, naderhand. Haar schoonfamilie had ook een bakkerij, vijf minuten lopen van hier. Ze woonden allemaal boven de zaak, met drie generaties. Mijn nicht was nog klein toen. Als ze ‘s nachts niet kon slapen, mocht ze hem helpen met het deeg voor de broodjes.’
De thee koelt af. Ik pak nog een chocoladekoekje.
Mijn moeder laat haar ogen rusten op het bordje met koekjes. ‘En dat was één van haar fijnste herinneringen aan vroeger.’
Ik blaas even over mijn kopje thee.
‘Dat mijn vader daarvoor heeft gezorgd,’ mompelt ze. Ze schuift het bordje naar me toe, ook al heb ik al drie koekjes gegeten en zij nog geen eentje. ‘Heeft hij toch nog iets goeds gedaan.’
Ik droom dat bij wijze van bezuiniging ons kantoor wordt gevestigd in een verzorgingshuis dat kampt met een personeelstekort. Als we ‘s ochtends aanbellen, moeten we een half uur wachten tot er een stokoud vrouwtje naar beneden komt om de deur voor ons open te doen.
Op de gang help ik een dame overeind die is gevallen. Ik barst in huilen uit, want ze lijkt precies op mijn overleden oma, de moeder van mijn moeder. De dame geeft me een knuffel en biedt aan om de rest van de dag dan mijn oma te zijn. Ik wil het niet, maar ze blijft urenlang naast mijn bureau zitten. Volgens mij is ze vergeten dat ze maar doet alsof ze mijn oma is.
Het kantoor vult zich met vrouwen die nooit betaald werk hebben verricht, maar altijd en eindeloos hebben moeten zorgen. Voor kleinere broertjes en zusjes, voor nichtjes en neefjes, voor hun echtgenoten, hun eigen kinderen, kleinkinderen, en tenslotte hun eigen ouders. Ze kunnen niet meer ophouden met zorgen, zelfs al zouden ze dat willen. Al die dames schuifelen zorgend om onze bureaus en computers heen, met schaaltjes vol gebak en koekjes.
‘Pak maar zoveel als je wilt,’ knipogen ze naar me. ‘Als je met honger naar huis gaat, is het je eigen schuld.’


