Zelftransplantatie
Het was maar een kleine ingreep, zeiden ze.
Categorie: Nachtdienst
Datum: tussen 20 en 21 oktober 2022
Mijn allereerste herinneringen zijn beelden van een ziekenhuisopname, van een operatie die ik moest ondergaan. Een kleine ingreep maar, die toch diepe indruk maakte. Volgens mijn moeder was ik toen net drie jaar.
Ik heb er een reeks losse beelden aan overgehouden in mijn hoofd. Geen logisch verhaal, alleen maar specifieke details. Soms zijn de beelden een beetje vreemd, waardoor ik me afvraag of het niet voor een deel misschien dromen zijn, in plaats van herinneringen.
Dat ik op een zaal lag met witte gehaakte gordijntjes voor de ramen. Gordijnen met konijnenfiguurtjes. Dat er naast mij nog één ander kindje lag, en de zaal verder leeg was. Een oude zaal met hoge plafonds, schemerig, zodat ik niet goed kon zien hoe groot de ruimte eigenlijk was, hoeveel lege bedjes er verder nog stonden. Vier, zes, misschien zelfs acht.
Dat de rails aan de zijkanten van mijn bedje omhoog konden worden geschoven, zodat het leek alsof ik in een kooitje zat. Dat het andere kindje en ik daar hard om moesten lachen. Dat ik een zwart rubberen masker over mijn gezicht kreeg, een vreemde lucht rook en in slaap viel. Dat er een verpleegkundige bij het bedje klaarstond met een oranje ijslollie toen ik wakker werd. Een verpleegkundige die alleen maar lief lachte toen ik vroeg wat al die bruine vlekjes op mijn witte hoofdkussen waren. Dat er een prentenboek zonder woorden naast me op de dekens lag. Een prentenboek over twee kleine kinderen die een grote tuin verkennen waar het eindeloos regent.
Dat zijn mijn allereerste herinneringen.
Misschien dat ik daarom regelmatig droom dat er aan mij gesleuteld moet worden. Bijvoorbeeld dat er een kopie van mijn hoofd naast mij op mijn nachtkastje ligt. En dat dat hoofd rustig, verongelijkt bijna, tegen me praat. Ik sta op uit bed en neem een douche. Pas wanneer ik drijfnat ben, besef ik dat ik mijn pyjama nog aan heb. Terwijl ik me onder de douche probeer uit te kleden, komt mijn partner de badkamer binnen. Die bekijkt me, wordt angstig en belt vanaf de overloop met het alarmnummer.
Er is iets met me aan de hand, blijkbaar, iets wat aan de buitenkant waar te nemen is, maar hoe vaak ik ook mijn partner vraag wat het is, ik krijg geen antwoord. Kennelijk is er geen tijd meer om te wachten op een ambulance, we moeten nu naar het ziekenhuis.
Ik stap uit de douche. In de spiegel in de gang zie ik een oogbol uit mijn mond puilen, maar als ik mijn vinger in mijn mond steek, voel ik dat hij leeg is. Nog naakt stap ik in onze auto. Om de één of andere reden zit ik op de achterbank, niet op de passagiersstoel. Ik doe mijn gordel nog om terwijl mijn partner het gas al intrapt. De auto raast naar het einde van de straat en ik bedenk me dat ons kindje nog alleen thuis in bed ligt.
Dan word ik wakker van onze kleine die gilt en vervolgens nog even zachtjes jammert. Ik blijf nog even liggen en wacht. Mijn partner slaapt door. Het blijft stil.
Waar zou een driejarige nachtmerries over hebben?
Ik slaap weer, geloof ik. Ik loop nu door een half verbouwd rijtjeshuis. Het is laat in de middag. Buiten regent het hard en onophoudelijk. Het huis is ver naar achteren uitgebouwd, met het idee om er een soort commune voor meerdere kinderrijke gezinnen van te maken, met een grote keuken, veel badkamers en een aparte speelkamer voor de kleintjes. Maar het huis is verlaten, er is niemand meer. Op de uitgebouwde keuken na zijn de kamers nooit aangepakt. Ze hebben nog schrootjes, verschoten vloerbedekking en bruinig behang.
In de achtertuin springt plotseling een jonge man over de schutting. Hij rammelt aan de keukendeur, die zit op slot. De jongen lijkt nerveus, kijkt wanhopig naar door de ruit naar binnen. Ik verstop me onder de lange eettafel. De jongen geeft het op en klautert over de schutting naar de volgende achtertuin.
Het regent nog steeds. De straat aan de voorkant van het huis is helemaal verlaten. Ik ga de trap op naar boven. De speelkamer is leeg. Er zit alleen een meisje van een jaar of dertien, veertien op de grond, leunend met haar rug tegen de muur, in een hoek. Ze staart naar filmpjes op een telefoon in haar handen.
Het zijn twee filmpjes, die ze zelf heeft gemaakt, van haar eigen lijf, en daarna bewerkt met AI. In het ene filmpje kijken we neer op haar buik. Ze klemt een vetrolletje in haar handen en trekt hem zachtjes los uit haar romp, een homp deeg die ze even kneedt en weggooit, waarna ze de volgende vetrol aanpakt. In het tweede filmpje kijken we opnieuw neer op haar bovenlichaam, maar nu houdt ze een baby vast die bij haar drinkt. Het is niet altijd duidelijk waar de zuigeling ophoudt en waar haar eigen lijf begint.
Ik blijf naast het meisje op de grond zitten, maar ze lijkt me niet op te merken. Ik zou haar gerust willen stellen, ook al lijkt ze van zichzelf gewoon kalm.
Het geluid van de regen maakt me leeg. Even sluit ik mijn ogen. Als ik ze weer open, zit er naast mij, in plaats van het meisje met de telefoon, een dubbelganger van mezelf. Geen los hoofd, maar een heel mens. Ik ben opgelucht. Eindelijk kan ik mezelf echt observeren. Ik kan mezelf verbeteren, ik kan groeien.
Dan komt er een verpleegkundige binnen met twee mondkapjes waar plastic slangen aan zitten. Volgens mij zal de dubbelganger mijn plaats innemen zodra we onder narcose komen. Het beangstigt me dat ik misschien uit mijn eigen leven wordt weggewerkt, maar meer nog ben ik verdrietig dat ik ‘mezelf’ weer zal verliezen. Het verdovende gas smaakt eerst vies, dan zoet, dan weer vies. Ik val in slaap. Of ik word juist wakker.


